Het is nu vr nov 24, 2017 12:09 am




Plaats een nieuw onderwerp Antwoord op onderwerp  [ 2 berichten ] 
Heropvoeding 
Auteur Bericht
Eisbein

Geregistreerd:
za nov 26, 2011 11:05 am
Berichten: 277
Bericht Heropvoeding
Driedelig krijtstreepje. Deel 1

Tijdens een technische inspectie, met een beduidende financiële achtergrond, maakte ik kennis met een zeer correct en vakkundig optredende heer die niet aldus optrad vanwege het positieverschil maar meer vanuit een natuurlijke gewoonte. Wat mij bij verder ontmoetingen argwanend nieuwsgierig maakte waren bepaalde subtiele gewoontes en taaluitdrukkingen die vooral bij oud-gevangenen uit het nachtmerrie tijdperk ‘40-‘45 zouden opvallen. Informatie vanuit mijn inlichtingen circuit leerde mij dat ik te maken had met een “persoon met een politiek besmet verleden”. Een bewuste verspreking mijnerzijds deed hem weliswaar verstijven, maar na mijn gespeelde grijns klaarde zijn gezicht twijfelend weer op. Om de werkverhouding duidelijk en zuiver te houden kreeg ik het verhaal van zijn leven (naderhand gecheckt) onopgesmukt te horen. Het was een bijna standaard gezinsscenario, een gereformeerde rechtschapen vader die metaaldraaier was, een moeder die zoals toen gebruikelijk een nijvere huisvrouw was (zonder huissloof te zijn) en drie kinderen, twee streng opgevoede jongens en een lieve dochter. De crisistijd met veel werkloosheid deed de vader besluiten om lid te worden van de partij met die fatsoenlijke Rijkswaterstaat Ingenieur uit Werkendam, genaamd Mussert. Net zo vanzelfsprekend als tanden poetsen, haarkammen, schoenen poetsen, met twee woorden spreken, niet liegen en de 10 Geboden nakomen, moesten de kinderen naar de NSB jeugdafdeling genaamd Jeugdstorm. Verder bestond het dagelijkse leven voor de kinderen vooral uit hard studeren om vooruit te komen in de maatschappij en de gebruikelijke gezin -- familie verplichtingen. En toen werd het 10 mei 1940. In steeds heviger mate ondervonden zij haat en tegenwerking. Toen dan ook de oudste zoon, de ambitieuze Jan, oud genoeg was trad hij als consequentie toe, tot de pas opgerichte militaire organisatie Grenadier Regiment Landstorm Nederland. De jongste, Rinus, geboren in 1927, kon emplooi vinden op de tekenkamer van een bekende machinefabriek waar hij ook het meisje ontmoette waar hij veel later mee in het huwelijk trad. Mede onder druk van de Jeugdstormleiders kon hij aan het eind van de oorlog, in 1944, dienst gaan doen op de plaatselijke Ortskommandantur. Zijn taak was in hoofdzaak, wachtlopen voor het gebouw aan de Dreef en tijdens spertijd bij een van de bruggen die de stad rijk was. Een enkele keer werd van hem enig graafwerk verlangd. Dan stopte een vrachtauto bij de Ortskommandantur en één of meerdere soldaten werden dan gesommeerd een schep te pakken en in te stappen, waarna de rit vervolgd werd richting Bloemendaalse duinen. En dat het niet was om zandtaartjes of sculpturen te maken weten allen die op 4 mei een Stille Tocht of op 10 mei een Herdenking van de ExPoGé bijwonen. Eindelijk 5 Mei 1945. Het gezin komt in gevangenschap. Van Jan is al lang niets meer vernomen, Rinus heeft geluk en wordt in kamp Koudenhorn in Haarlem als loopjongen ingezet. Dat levert soms wat extra voedsel en vrijheden op, maar ook een invloedrijke kennissenkring. In de herfst van 1945 wordt hij samen met enige andere jongeren in een oud busje geladen en zij vertrekken met onbekende bestemming. De tocht eindigt in Wijk aan Zee bij een gebouw met boven de ingang het opschrift JOODSE ZEE- EN BOSKOLONIE. Rinus K. verblijft hier geruime tijd, wordt voor een tribunaal veroordeeld tot een lange straf, zit die gedeeltelijk uit in Veenhuizen en keert terug in de maatschappij. Hij trouwt met zijn jeugdliefde, krijgen samen kinderen, twee dochters en een zoon, en het gaat hem, mede door zijn intelligentie en verworven kennissenkring beroepsmatig en financieel zeer goed.

De onpartijdige Magere Hein.

De mededeling van de dokter die hij raadpleegt over een zeer pijnlijk oog doet zijn wereld instorten. Een niet te genezen tumor die binnen enige maanden zijn leven zal beëindigen. In de eerste week van het pas begonnen Nieuwe Jaar dooft in het bijzijn van al zijn geliefden het levenslicht van deze ex-politieke delinquent. De gereformeerde kerk zit vol met familie, genodigden en belangstellenden. Mooie volzinnen worden uitgesproken door imposante personen over al het goeds dat hij voor allerlei maatschappelijke doelen had verricht. De ruimte op de mooie begraafplaats was te klein om plaats te bieden aan allen. Zeer kort daarna hoort de weduwe van haar beide dochters dat borstkanker is geconstateerd. Één sterft reeds binnen een half jaar, de ander geneest. Einde verhaal ?, Nee !
Na enige maanden ontvang ik, middels een goede kennis van Rinus K., een pakje met losse velletjes notities, een paar foto’s en enige knipsels. Het begeleidend briefje is vanwege het onzekere handschrift duidelijk geschreven in zijn laatste levensdagen. De zeer persoonlijke aan mij gerichte tekst laat ik hier buiten beschouwing, maar verder bood hij mij zijn kampnotities aan voor vrij gebruik mits de privacy van zijn mede delinquenten voorop stond. Doorgaans zijn dergelijke kampnotities een gevarieerde frustratie herhaling van die van andere delinquenten. Mijn aandacht werd nu echter getrokken door de positieve tegenstellingen in de behandeling van hem en anderen, vermeld in het SOTO-rapport betreffende de terugkeer in de vrije maatschappij van de concentratiekamp gevangenen. Daarbij komt nog dat in de periode waarin het volgende speelt regelmatig in de kranten, naast de zittingsverslagen van de Bijzondere Gerechtshoven, Tribunalen, Bijzondere Raad van Cassatie, familie zoekberichten, advertenties voor het weinige dat te koop was, ook verontwaardiging stond over misdadige toestanden die in de kampen voor de politieke delinquenten heersten. De namen van Dr. H.W. van der Vaart Smit, ex-gereformeerd predikant, naderhand zelf tot 12 jaar veroordeeld, Ds. C.H. Moll de Charante -- geestelijk verzorger, Freule C.I. Wttewaal van Stoetwegen en de procureurfiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie Mr. A.M. baron Van Tuyll van Serooskerken doen bij u misschien nog belletjes rinkelen. De klachten, o.a. het willekeurig doodschieten van velen, het martelen, de hongerprostitutie en ergere zaken in vrouwenkampen, werden in opdracht van de regering door een commissie onderzocht. Het resultaat staat in de delen 5 A-B-C van de Parlementaire Enquête Commissie vermeldt en de conclusies waren voor het rechtsgevoel, dat is wat anders dan ons toenmalig wraakgevoel, nogal onthutsend wrang. De mij toevertrouwde notities zijn duidelijk van de nu dode R.K. vermengd met die van iemand uit zijn naaste omgeving. Het rangschikken, het uit de ik-wij-onze schrijfstijl halen en vlot leesbaar maken, met waar mogelijk controle, nam de nodige tijd in beslag. De namen en karakteromschrijvingen van zijn mede kampgenoten zijn, hoe boeiend ook, niet door mij in de bewerking van zijn verslag opgenomen. Velen hebben een goede positie bereikt en zijn van onbesproken gedrag, zo ook hun kinderen. Verwonder u, maar ergert u zich niet, over de ironische tegenstellingen tussen de behandeling van hen en de door u ondervonden ervaringen van vlak na de Tweede Wereld Oorlog.
De samensteller.



JOODSE ZEE- EN BOSKOLONIE.
WIJK AAN ZEE
Periode 1945 ---- 1948

Bewerkte notities van Rinus K. † en anonymus


Inleiding.

Aan de Relweg te Wijk aan Zee staat, niet ver van het Noordzeestrand, dit in vooroorlogse joodse kringen welbekende, vakantiehuis voor joodse kinderen. Markant tussen de met helmgras beplante duinen en op geruime afstand van het bekende Rooms-katholieke herstellingsoord Helio Mare, met alleen het Emma kindertehuis tussen het gebouw en het strand. Veel joodse kinderen met een zwakke gezondheid hebben hier van de gezonde zeelucht en goede voeding genoten. Met het uitbreken van de 2e Wereldoorlog kwam hieraan een onfortuinlijk einde. Was in de eerste oorlogsjaren nog maar weinig van de Duitse bezetting in het besloten vriendelijke dorp te merken, geleidelijk aan werd dit anders. Vooral toen op Duits bevel in de kustplaatsen een groot deel van de kust moest worden vrijgemaakt van obstakels die een vrij schootsveld voor de Duitse kanonnen en ander schiettuig in de weg stonden. Dit had voor de gehele Nederlandse kuststreek tot gevolg het evacueren van de kustbewoners naar andere streken van Nederland. Uitzonderingen daarop waren doorgaans diegene met een functie bij een van de nutsbedrijven. Weldra volgde de stationering van Duitse troepen in vrijgekomen huizen en gebouwen. De bouw van het gigantische verdedigingswerk, de Atlantikwall, bracht elke dag een grote massa arbeiders naar het dorp om de vele betonnen bunkers, mitrailleursnesten en onderkomens te bouwen. Na het gereedkomen en het plaatsen van de vele grote en ver dragende kanonnen en ander geschut, werden de daarvoor benodigde manschappen in de diverse soorten bunkers ondergebracht. Woonhuizen en andere gebouwen werden afgebroken, zodat spoedig een desolate omgeving langs de kust ontstond. Doordat nagenoeg alle huizen van Wijk aan Zee in een dal achter de hoge duinenrij lagen, dus niet in het schootsveld van het geschut, ontkwam het dorp aan de bereidwillige handen van de ingehuurde Nederlandse slopers. De Joodse vakantiekolonie, in het dagelijkse woordgebruik aangeduid met de verkorte naam Jozeboko, het Helio Mare, het Emma kindertehuis, het midden in het dorp gelegen luxe Badhotel en ook het Rooms-katholieke Maris Stella bleven dus gespaard maar kwamen in gebruik bij de Duitse bezetter. Ernstige schade heeft het Jozeboko gebouw tijdens de Duitse bezetting niet opgelopen en in 1945 kon het tijdelijk als onderkomen voor de plaatselijke Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) worden gebruikt. Na het in 1945 opheffen van deze formatie kwam het gebouw weer leeg te staan en rees bij de overheid de vraag wat nu te doen met dit uniek gelegen gebouw. Omdat van een joods maatschappelijk en sociaal bestel zo kort na de oorlog nog geen sprake was kon de vakantiekolonie niet opnieuw voor enig joods doel worden aangewend. Al spoedig werd door de ambtenaren op de ministeries van volksgezondheid, sociale zaken en justitie gedacht aan de opvang van de vele kinderen die gelijktijdig met hun, van samenwerking met de Duitse bezetter verdachte, ouders waren opgepakt en in allerlei provisorische kampen, scholen en kazernes waren ingesloten. Buiten de, als vanzelfsprekend aangenomen, verderfelijke invloed van de rancuneuze ouderen, zo hoopte en dacht men, was er een goede kans om deze jongeren door een heropvoeding op het rechte democratische pad te brengen. Terugblikkend en wijzer geworden door nadere informatie verbaas ik mij nog steeds over de voorvallen en de opzet van dit uitzonderlijk delinquentenkamp. Was het een experiment van de overheid in een tijd van politiek gekrakeel over een ruimer gratiebeleid ? Waren de jongens door justitie overgeheveld naar jeugdzorg, maar waarom dan toch nog de soms zware straffen voor lichte misdragingen ? Zoals die van enige 16 jarige MULO leerlingen die aan het eind van het schooljaar 1944 niet naar huis durfden te gaan omdat zij niet voor het eindexamen waren geslaagd. De uitweg toen, dachten zij, was zich dan maar in hemelsnaam te melden bij een Duits bureau dat misschien een oplossing zou weten want de oorlog was toch bijna teneinde. En dit waren tot dan knapen zonder enig politiek smetje maar wel met een heel strenge vader. Enige onttrokken zich naderhand aan de Duitse greep en deserteerden met alle kans op executie bij gevangenname door de altijd op jacht zijnde felle Feldgendarmerie, u weet wel ‘De Kettinghonden’. Ook een zekere Joop deserteerde, kwam bij een Hilversummer verzetsgroep terecht met een onderkomen in een bosperceel. In eerste instantie gebruikte men hem voor allerlei huishoudelijke klussen maar mocht na korte tijd deelnemen aan verzetswerk. Na de 5e mei werden zij allen alsnog door de BS ingerekend en werd de niet meer uit te wissen smet op hun leven, middels Proces Verbaal officieel vastgelegd.

Het begin.


In het najaar van 1945 arriveerden met een door het Ministerie van Justitie gecharterde oude bus, haast onopgemerkt, de eerste toekomstige bewoners van het Jozeboko-gebouw. Het duurde echter niet lang of in het dorp met het toen nog maatschappelijk gesloten karakter en de daarbij behorende sociale controle en geruchten circuit, ging weldra de mare rond dat een groep gevaarlijke SS-jongens was gearriveerd. De gemiddelde leeftijd van de nog kleine groep lag tussen de 15 en 18 jaar en de antecedenten varieerden tussen het onschuldig zijn als zoon van een collaborateur en het lid zijn geweest van de Waffen SS, Landstorm Nederland, de Kriegsmarine, de Wasserschützpolizei of het N.S.K.K.. Ook al was er nog maar weinig bekend van de gruwelijke wandaden die tijdens de oorlog overal in Europa hadden plaats gevonden, was de houding van de dorpelingen vijandig tot gematigd afstandelijk. Ondanks dat het Jozeboko-gebouw gespaard was gebleven van erge oorlogsschade, functioneerde door de verwaarlozing tijdens de oorlogsjaren diverse zaken niet en onderhoud was meer dan dringend nodig. De centrale verwarming was kapot en daarmee ook de douche installatie en de noodzakelijke warmwater voorziening voor de keuken. In het leeggeroofde Nederland was echter aan alles gebrek en de jongens moesten dan ook veel improviseren om het huis enigszins bewoonbaar te maken. De verlaten Duitse bunkers werden doorzocht naar alles wat nog bruikbaar was, overigens niet zonder gevaar vanwege de nog aanwezige explosieven. Het Emma kindertehuis was ook een object van onderzoek ofschoon het reeds door de plaatselijke bevolking grotendeels was ontdaan van al het bruikbare sanitair, kranen, kasten, deuren en overig sloopbaar houtwerk voor brandstof in de toen nog gangbare kolenkachels. Alleen de vloerbalken, de zgn. baddings van de begane grond en de verdiepingen waren nog intact. De eerste naoorlogse winter, dus die van 1945 op 1946, bracht een langdurige zeer strenge vorst en met het grote gebrek aan kolen was het voor iedereen in Nederland en dus ook voor de jonge bewoners en de jeugdleiders een tijd van tanden op elkaar en afzien. Brandstof in de vorm van kolen was voor iedereen nog gerantsoeneerd ofschoon de Limburgse kolenmijnen met grote inzet, ook met het gebruik van gedetineerden, dit probleem trachten te lenigen. Het gevolg hiervan was dat alleen in de grote zaal waar gegeten en gewoond werd plus in de privé vertrekken van het personeel mondjesmaat kon worden gestookt. De vier slaapzalen bleven onverwarmd en met een grauwe paardendeken als enige bedekking moesten de jongens maar in slaap zien te komen. Sommige, in het bezit van een overjas, dus meestal de jongens die rechtstreeks uit het ouderlijk huis in het kamp terecht waren gekomen, gebruikten die dan als extra bedekking. De knapen die vanuit een of ander oorlogsfront in gevangenschap waren geraakt hadden reeds ervaring in barre omstandigheden en sliepen door alle koude heen. Het voedsel was uiteraard sober en eenzijdig zoals overal het geval was. Soms schonk een of andere Amerikaanse christelijke hulporganisatie wel eens goederen en/of ingeblikt voedsel, maar door malversaties bij de aanvoer bereikte dit niet altijd diegene waarvoor het was bedoeld. Het simpele feit dat het kamppersoneel tegelijk met de jongens aan tafel ook hetzelfde voedsel kregen opgediend gaf onbewust de jongens het idee dat er eerlijkheid heerste en zij niet werden achtergesteld. Of dit een bewuste strategie of de beste oplossing was in verband met het toezicht, is onduidelijk.

Hoe verder.

De eerste maanden was de sfeer nogal gespannen en wantrouwig omdat door de jeugdleiders, waarvan de meeste in het verzet hadden gezeten, als vanzelfsprekend verwacht werd dat de jongens zouden pogen te ontsnappen. Slechts eenmaal heeft een van de jongens een vluchtpoging gedaan, maar kwam niet verder dan het spoorwegstation van Beverwijk alwaar hij door dhr. van den Broek werd afgehaald. Het gevolg was dat hij niet meer in het Relwegkamp terug kwam. Of nog een andere oorzaak daaraan debet was bleef onbekend. Het begrip delinquentenkamp was eigenlijk verwarrend door de vrije inrichting en de opzet van de interne organisatie. Het gebouw bezat, behalve de normale afrastering, geen prikkeldraad versperring en ook geen wachtposten. Vanaf het eerste begin werd de natuurlijke begrenzing van het terrein door de jongens als vanzelf geaccepteerd als grens voor de eigen bewegingsvrijheid. Ofschoon een ieder vrijelijk in en uit kon lopen, zou door de toenmalige besloten ligging van het dorp en de grote sociale dorpscontrole een niet geoorloofde afwezigheid van een der kampjongens snel overal bekend zijn. Alleen een tocht dwars door de duinen zou een kans van slagen hebben. Daarbij kwam dat de enige verbinding met Beverwijk, de particuliere busdienst van de firma Oostrom, die eenmaal per uur vertrok vanaf een halte bij de christelijke kerk midden in het dorp en met chauffeurs die elk gezicht van de dorpelingen kenden, snel wantrouwend zouden zijn bij het zien van een jonge vreemde. Een bijkomend voordeel voor de kampleiders was dat bij nagenoeg alle jongens het hoofdhaar was afgeknipt, een gewoonte die toen uit hygiënisch oogpunt en om stigmatiserende reden bij politieke gevangenen werd toegepast. De meeste droegen dan ook een petje of alpino teneinde een beetje toonbaar te zijn. Op de eerste verdieping van het gebouw waren vier slaapzalen met de daarbij behorende waslokalen en toiletten. Ook bevond zich daar, vlak naast de trap, een kamer voor de nachtwacht. Al deze vertrekken kwamen direct uit op een overloop zodat de nachtwacht eenieder die een van de slaapzalen, de waslokalen of toiletten in- of uitging kon zien. Opvallend in deze nachtwachtkamer was het prachtige grote model van een middeleeuws schip. Hoe dat model daar terechtgekomen was werd niet duidelijk. Alle leden van het kamppersoneel, behalve de kok, hadden eveneens in het gebouw een eigen kamer. De kok die de eerste maanden voor de maaltijden zorgde haakte af en een andere kok werd gevonden. Deze woonde in Haarlem, was scheepskok geweest en had in de oorlog, gedwongen door de vaarplicht, gevaren voor de geallieerden. Hij had in die vijf jaar de nodige ellende maar ook leuke voorvallen meegemaakt. Een enkele keer vertelde hij daarover. Zijn opstelling ten opzichte van de jongens was zeer prettig, soms zelf speels. De tweede verdieping was een grote zolder met enige losse kasten en een klein kamertje. In de eerste maanden werden de jongens vooral aan het werk gezet met het in- en uitwendig opknappen en schilderen van het gebouw, het timmeren en repareren van bedden, het schoonmaken en repareren van de riolering, het dak, de regenpijpen en goten. Opvallend was dat bij het schilderen van de grote zaal de nogal provocerende en in het oog springende Duitse tekst die daar op een brede bovenlichtlijst was aangebracht niet moest worden verwijderd. In grote letters stond daar de, in de oorlog vaak gebruikte, Duitse propaganda zin die ongeveer luidde: “Besser im Kampf gefallen als in Knechtschaft zu leben”. Pas geruime tijd nadien is deze tekst bewust of onbewust door de jongens overgeschilderd. Door de ligging van het gebouw zo dicht bij het strand en de altijd in wisselende sterkte waaiende zeewind bleef ook het buiten houden van het duinzand een regelmatige corvee.

Feest.

Het eerste naoorlogse kerstfeest was voor ieder van de jongens een rustpunt in de achterliggende turbulente maanden, maar ook een tijd vol ongewisheid en vraagtekens over hun toekomst en het lot van hun familie. De katholiek of christelijk opgevoede jongens gingen, zoals reeds verplicht elke zondag gebeurde, in gesloten verband door de duinen en het dorp met een leider naar de desbetreffende kerk en de jongens zonder of een afwijkend geloof mochten kiezen met welke groep zij mee wilden gaan. De kerstpreek over de geboorte van het kindje Jezus in een niet versierde kerk leek zijn uitwerking te hebben op de dorpelingen, want de eerste schuchtere begroetingen en toenaderingspogingen vonden plaats. Na de kerkdienst in de steenkoude kerk, die daardoor uren leek te duren, volgde na terugkomst in het kamp de sobere maar feestelijk ondervonden kerstmaaltijd. De jongens die het barre leven aan een of ander oorlogsfront hadden ondervonden, een van de jongens miste door gevechtshandelingen aan het Narwafront (zuidelijk van het toenmalige Leningrad) een onderbeen en een ander miste een eveneens aan het Russische front afgevroren grote teen, ondergingen dit alles als een nooit meer verwacht feest. De direct uit de beschuttende veiligheid van het ouderlijk huis in het kamp gekomen jongens daarentegen waren nogal timide. Na de sobere kerstmaaltijd werd een strandwandeling gemaakt, vervuild met allerlei oorlogsmateriaal, wrakhout en ander rommel, aangespoeld tijdens de oorlogsjaren. Op de tweede kerstdag moesten de christelijke jongens opnieuw aantreden voor kerkgang. Ditmaal was de preekbeurt voor de kampdirecteur dhr. van Helder, die als hulpprediker mocht optreden. Uit de naderhand opgevangen loftuitingen bleek hij beter te hebben gepreekt dan de officieel aangestelde dominee. De hypocrisie van de man, dhr. Van Helder, zou later blijken.

Het eerste Vredesjaar 1946.

Na een Oudejaarsviering, natuurlijk zonder vuurwerk, werd in het dorp door de kampleiding werk gezocht en gevonden dat maatschappelijk gezien het meest nuttig was.
Het Badhotel, voor de oorlog een chique familiehotel voor de betere stand, was nogal intensief gebruikt door de Duitse bezetter en dien tengevolge ook nogal vervuild en beschadigd. Mede omdat het gebouw na de bevrijding, in eerste instantie gebruikt voor de kazernering van de Canadese militairen, diende het nu voor opvang van de terugkerende geëvacueerde kustbewoners en was door het intensieve gebruik een rigoureuze opknapbeurt meer dan nodig. De monumentale trap werd van het aangekoekte vuil en verfresten ontdaan en was weer een lust voor het oog. Daarna was de grote dinerzaal aan de beurt waarvan het parket niet alleen met verf en vuil besmeurd was, maar ook beschadigd met diepe putjes, ontstaan door het stalen zoolbeslag der soldatenlaarzen. Bij gebrek aan elektrisch gereedschap moesten de jongens dan ook op de knieën om, met doorgaans botte schraapstalen en met scherpe stukken gebroken vensterglas, de aanval te openen op het onwillige vooroorlogse hardhout. Na geruime tijd was ook deze grote ruimte met het mooie plafond weer schoon en na een grondige inwasbeurt van het parket glom deze zaal weer in de oude staat.
In het gehele Badhotel waren veel klussen te doen maar werden ook gecreëerd door de altijd hongerige jongens om zolang als mogelijk was in het hotel te kunnen blijven werken vanwege het extra te bemachtigen voedsel uit de hotelkeuken. Een koddig voorval vond plaats toen het tot de koks doordrong dat de jongens zo hongerig waren. Om dat definitief op te heffen, zo dacht men, hebben zij toen een emmer hutspot klaargemaakt en samen met een stapel borden en vorken in een kleine zaal voor de jongens neergezet. Binnen extreem korte tijd was de emmer leeg en teruggebracht in de keuken waar de koks net weer waren gearriveerd. Die konden hun ogen niet geloven en dachten aan een grap. Na informatie zijn zij opnieuw begonnen aan een tweede emmer. Toen deze weer in het zaaltje werd neergezet bleef het keuken personeel en andere huishoudelijke hulpen bij de deur staan, benieuwd naar wat komen ging. Ook deze emmer was in snel tempo leeg gegeten. De ogen van het personeel stonden op ongeloof en verbazing. Kreten als ‘komt dat zien, komt dat zien, het voederen der wilde dieren’ werden ludiek gelanceerd. Enthousiast over zoveel eer voor hun kookkunst zijn de koks aan een derde emmer hutspot begonnen die in een iets minder snel tempo in de magen van de jongens verdween. De aanwezige leiders vond de voorstelling welletjes, misschien ook wel beschamend voor de leiding van het kamp, en verzamelde de jongens voor de terugkeer. Nog vaak werd naderhand deze gebeurtenis in gesprekken gememoreerd. Na geruime tijd waren de grote klussen in het Badhotel klaar en twee jongens, Benny en Cor, hielden nu als vaste ploeg het gebouw op peil. Ook de plaatselijke vuilophaaldienst, dus de gemeentelijke reiniging ressorterend onder de gemeente Beverwijk, kreeg twee knapen toegewezen die samen met de echte vuilnisman (dus een ambtenaar) het gehele dorp verzorgde. Deze man, spoedig door de jongens ‘Luie Dirk’ genoemd, woonde zelf ook in het dorp en wist over nagenoeg elke inwoner en inwoonster wel iets te vertellen, vooral over hun gedrag in de oorlogsjaren. De twee knapen konden dan ook spoedig met de minder fraaie persoonsgebonden intimiteiten de stemming in het kamp opvrolijken. Vooral de zelf verzonnen bijnaam “Die Nackttanzerin” voor een dorpsschone, was meermaals in de gesprekken te horen. Dit had betrekking op een moeder met een knappe dochter die zich beiden op een onsympathiek nuffige en hautaine manier als goede vaderlanders in het dorp presenteerden. Dit beeld was echter volkomen misplaatst door het feit dat de dochter zich tijdens een uit de hand lopend en met veel wijn en Schnapps overgoten Duits kerstfeest had uitgekleed en tot genoegen van de militairen naakt op de tafel had staan dansen.

Gelovige werkzaamheden.

Ook de nonnen van het grote katholieke kindertehuis Maris Stella in de Voorstraat konden extra handen gebruiken bij het weer op orde brengen en schoonmaken van het grote gebouw. Vooral de katholiek opgevoede jongens werden daar streng maar goed opgevangen en kregen wat extra voedsel toegestopt. Tijdens het schoonmaken van de grote zolder met zijn vele balken, gordings en ander houtwerk vond een van de jongens bovenop een van de balken een Duits pistool. Algemene consternatie ontstond over wat te doen. Houden we dat ding of geven we het toch maar af. De non aan wie het wapen uiteindelijk werd afgegeven wist zich ermee geen raad. De Moeder-overste was praktischer en informeerde de mariniers die op het Hoge Duin een post hadden. In het gebouw waren toen reeds de zeer kleine kinderen uit NSB-gezinnen ondergebracht. De daar werkzame jongens met broertjes en/of zusjes in dezelfde leeftijd bekommerden zich als het werk dit toeliet om de kleintjes en werden dan ook vaak als ‘oom’ beschouwd. Dit gaf nogal eens aanleiding voor de ontredderde kleintjes tot een hartverscheurende huilbui als de jongens aan het eind van de dag retour kamp gingen. Ook deze klus werd naar volle tevredenheid geklaard en één katholieke knaap bleef voortaan de dagelijkse klusjes doen. Naderhand is deze afgelost door een gereformeerde knaap die zich dusdanig onmisbaar maakte, vooral met het onderhoud van het woonverblijf en de slaapvertrekken der nonnen, dat ondanks het gemis aan kennis van de specifieke regels en gebruiken in deze gesloten gemeenschap, het verschil in religie geen probleem was, zelfs niet meer opviel. De non, zuster Leopoldus, van geboorte een Duitse, was hem nogal toegenegen en verzorgde hem, zover de middelen dat toelieten, met extra hapjes. Ook kreeg hij het onderhoud toegewezen van de Rooms-katholieke lagere school, waar enige nonnen onderwijs gaven. Vooral in de winter gaf dit, met de grote ruim 1,60 meter hoge ouderwetse kolenkachels in ieder lokaal en de kolenschaarste, nogal problemen om de lokalen enigszins warm te stoken voordat de kinderen kwamen. Bij het nonnenhuis was op de eerste etage een grote zaal waar veel huishoudnaaimachines stonden, nodig voor de naailessen die de plaatselijke katholieke maagden kregen ter voorbereiding op de taken in het huwelijk. Ook hier moest hij bij storingen aan de naaimachines en andere apparaten regelmatig hulp bieden hetgeen met zijn technische kennis zeer goed lukte. Een grappige situatie deed zich voor toen hij op verzoek van moeder-overste in het kleine tuintje een prieel ging maken van het weinige en schaarse sloophout dat aanwezig was. De zon scheen en de botte aftandse zaag zorgde al gauw voor enig zweet. Gewoonte getrouw werd dan ook het bovenlichaam ontbloot, echter voor korte duur. Met afgewend hoofd kwam zuster Leopoldus nader en zei dat de moeder-overste had gevraagd of hij zich weer wilde aankleden vanwege de voorschriften en gebruiken van de nonnenorde. Toen hij aan het einde van de dag weer in de keuken kwam keek zij hem door de kleine ronde brillenglazen vrolijk grijnzend guitig aan en stopte hem een plak snijkoek in de hand. Misverstand afgedaan, doorgaan.

Vertrouwen.

De werkzaamheden in groepsverband in het dorp gaven de leiders handen vol werk met het toezicht. Naarmate het inzicht in de karakters van deze jongens en het vertrouwen groeide, werd de bewegingsvrijheid groter en de mogelijkheden voor de jongens om contacten te leggen beter. De eerste die geheel zelfstandig en zonder begeleiding mocht gaan werken was een Zandvoortse jongen wiens familie in het dorp een loodgietersbedrijf bezat. Daarna volgde al snel voor twee jongens uit Noord-Holland een baan bij de plaatselijke slager. Hun vakbekwaamheid, initiatief en mentale instelling was dusdanig dat de baas vol lof was over de prestaties. Werkten zij in het begin, mede als gevolg van de strakke kamp routine, alleen op de normale werkdagen en uren, spoedig stonden zij ook op de drukke zaterdag in de winkel de klanten te helpen. Deze voor de jeugdleiders moeilijk te beheersen situatie leidde uiteindelijk zelfs tot een volledige opname in het slagersgezin van één der beide broers. De andere werd spoedig op vrije voeten gesteld. Ook twee jongens met een timmermansopleiding werden op verzoek bij de zeer bekwame en strenge plaatselijke timmerman / aannemer tewerkgesteld. Zij werden daar na een korte proeftijd zeer gewaardeerd door de werkgever vanwege hun ijver en vakbekwaamheid. Een van deze twee, Toon de Vr., behaalde na zijn kamptijd en intensieve studie zijn architectendiploma. Behalve allerlei kleine werkzaamheden in het dorp voor o.a. het gemeentebestuur, het planten van helmgras om het verstuiven van duinzand in de zeereep tegen te gaan, het herstellen van allerlei privé en gemeentelijke terreinafrasteringen en het geregelde onderhoud aan het Jozeboko gebouw, gebeurde er weinig opzienbarends. Zo nu en dan arriveerde nieuwe jongens die in de chaotische situatie van vlak na de bevrijding in gevangenissen en bestaande opvoedingsgestichten voor asociale jongeren geïnterneerd waren. De constante conflictsituaties daar met allerlei diefjes, inbrekertjes, zwarte handelaartjes en andere maatschappelijk asociale en gestoorden, was door de leiding aldaar ternauwernood beheersbaar. Hierbij kwam nog dat de daar aanwezige leiding soms liet blijken meer sympathie te hebben voor de doorgaans beter opgevoede, goed gedisciplineerde, maar vooral eerlijke “foute delinquenten”. De sfeer in het kamp was dan ook voor de nieuwkomers een verademing en spoedig was de kamproutine hun eigen en konden zich sociaal ontplooien hetgeen bijdroeg aan het bonte palet van deze jongensverzameling. Het regelmatig verschijnen van leden der Politieke Opsporing Dienst (de POD), later genoemd de Politieke Recherche Afdeling (PRA), die nogmaals de feiten in het Proces Verbaal van enkele “zware gevallen” kwamen controleren, bracht alleen in het begin enige verontrusting totdat duidelijk werd dat deze lieden gewoon een rustig dagje naar de kust wilden met gratis koffie en een eveneens gratis lunch. Dat scheelde dan weer met het nog altijd gerantsoeneerde voedsel bij hen thuis. Toen een van de jongens, wiens vader een zaak had, van deze te horen kreeg dat een van deze POD lieden bij hem langs was geweest met het aanbod om het dossier te laten verdwijnen, natuurlijk in ruil voor een bedrag aan geld en goederen, zodat hij vroegtijdig zou worden vrijgelaten, was de minachting voor deze corrupte vaderlanders groot. Reeds voordien had deze knaap in een ander kamp te maken gehad met een bewaker die als caféhouder een moord op zijn geweten had en een ander, een melkboer, die veroordeeld was voor seksueel misbruik van kinderen.

Munitieruiming.

Een tamelijk pittige klus in die eerste maanden van 1946 was de tewerkstelling van een tiental jongens bij een firma die munitie opruimde. Die moest het strand, vanaf de IJmuidense Noordpier en verder naar het noorden toe, vrijmaken van de door de Duitsers in zee en op het strand geplaatste houten en stalen palen, met daarop aangebracht mijnen en ander explosief ongerief. De militaire reden daarvoor was, om het de geallieerden zo moeilijk mogelijk te maken bij een eventuele landing vanuit zee. Bij gebrek aan het juiste gereedschap had deze firma o.a. een Duits rijdend vierling geschut op stalen rupsbanden, ontdaan van het wapen en in plaats daarvan een takel gemonteerd. De bestuurderscabine was met staalplaten extra versterkt voor grotere veiligheid van de inzittenden bij eventuele voortijdige explosies. Voor de grote zeemijnen werd de Koninklijke Marine ingeschakeld die meestal deze ondingen ter plekke tot ontploffing bracht. De grote afstanden die elke dag lopend in weer en wind vanaf het kamp naar de steeds wisselende werkplek moest worden afgelegd, soms tot aan de Noordpier van IJmuiden, zorgde voor het opbouwen van een goede fysieke conditie. De tussentijdse verkenningen in het uitgebreide stelsel van geschutsbunkers, gasdichte hospitaalbunkers, mitrailleur nesten en onderkomens, dit alles met elkaar verbonden door gangen, leverden vaak zeer uiteenlopende zaken en achtergelaten munitie op. Vooral in deze zeer koude winterse periode van 1945 / 1946, werd voor een tussentijdse opwarming op het strand met het aangespoelde wrakhout een vuur gestookt. De soms speels daarin geworpen patronen, lichtkogels en handgranaten zorgden voor de nodige gevaarlijke afwisseling. De omvang van zo’n vuur is een keer dusdanig uit de hand gelopen dat schepen op zee daar melding van maakten via Scheveningen Radio. Ook een risicovolle klimpartij aan de buitenkant van de hoge en stijl gebouwde radarantenne, zuidelijk van Wijk aan Zee, was een uitdaging. Door een op de Hoge Duin aanwezige wachtpost, bemand met Nederlandse mariniers, is hier naderhand een eind aan gemaakt. Een ongewilde zwempartij in de lentemaand maart van 1946 tijdens zeer koud weer in het water tussen een strekdam en de Noordpier had voor de betrokken beide jongens geen nare gevolgen. Door onbekende reden raakte een van de daar werkzame jongens in het ijskoude water. Doordat hij de zwemkunst niet goed meester was, dook een ander hem na maar door het afgaande tij had deze de grootste moeite om samen met de drenkeling weer op het droge te komen. Fluks werd door enkele jongens een houtvuur aangemaakt, terwijl andere de doornatte kleren uitwrongen en weer anderen de naakte jongens zo veel mogelijk afschermden tegen de koude wind. Aan het einde van de dag vertelden de twee, volgens afspraak, heel stoer dat ze even waren gaan zwemmen en dat het water best lekker was. Een flinke verkoudheid was het enige gevolg. Ook deze klus raakte teneinde.

Koninginnedag.

Op de eerste naoorlogse Koninginnedag werden de jongens volop aan het werk gezet bij het opbouwen en naderhand afbreken van allerlei provisorisch in elkaar geknutselde vermakelijkheden. Overal en voor elke klus werd een beroep op hen gedaan. In een oplopende straat werd bijv. een smalspoor aangelegd en met de bijbehorende lorrie als vervanging voor paarden kon het aloude ringsteken, inclusief de bak met water voor de mis stekende rijders, plaatsvinden. Na elke neergaande rit moest de lorrie natuurlijk weer omhoog worden geduwd en dat was vanzelfsprekend een prachtige klus voor die kampjongens zo dacht men. Het geheel was een vrolijke boel, vooral als de beloning bij het missen van de ring de volle bak met water automatisch op de pechvogel werd uitgestort. Natuurlijk werd de knaap die de ring weer terug moest plaatsen en de lege bak weer moest vullen op de duur kletsnat. Dit bracht hem ertoe om zo nu en dan de aanstormende ringsteker per ongeluk te trakteren op een onvrijwillige douche. Het jonge publiek en vooral de hele kleintjes vonden het prachtig en gierde het uit van het lachen. Zoiets hadden zij vanwege de oorlogsjaren nog nooit meegemaakt. Ofschoon niet zo bedoeld was deze dag voor een betere verstandhouding met de dorpsbewoners van groot nut.


Conservenfabriek De Bever.


In de zomer van 1946 werd de bewegingsvrijheid danig groter toen de conservenfabriek De Bever in Beverwijk extra, maar vooral goedkoop, personeel nodig had. Een grote groep onder aanvoering van een leider toog nu iedere dag met de bus naar Beverwijk om daarna te voet vanaf de bushalte bij het NS-station door de Breestraat naar de fabriek te wandelen. De conservenfabriek is naderhand afgebroken en op dezelfde plaats het winkelcentrum De Beverhof gebouwd. Op verschillende werkplekken werden de jongens ingezet. De mare dat een stel SS-ers zou komen werken was voordien reeds in de fabriek verspreidt. Toch deden zich geen onaangename situaties voor, een enkele denigrerende opmerking daargelaten. Eenmaal is tijdens de middag pauze de atmosfeer zeer vijandig geweest. De oorzaak ontstond toen fabrieksarbeiders op een vrij brutale manier zich gingen bedienen van de, aan de jongens in een thermosfles meegegeven, thee. Een van hen zag dit even aan in de mening dat het een incidenteel geval was. Toen anders bleek stond hij op en verkondigde dat de volgende die zich bediende met hem persoonlijk te maken kreeg. Een onwezenlijke sfeer met uiterst verbaasde gezichten waarop ongeloof en twijfel stond te lezen was het resultaat. De onwetendheid wat die 1.85 meter lange en (volgens geruchten) hoogstwaarschijnlijk gevaarlijke en rücksichtsloze Waffen SS-er met zijn verbeten kop zou kunnen doen, voorkwam waarschijnlijk escalatie. Kort tevoren had deze forse knaap ook nog in de fabriek een NSB-er afgestraft omdat deze zich onmaatschappelijk gedroeg, natuurlijk nu tot algemeen plezier van het personeel. Op alle plaatsen waar de jongens zijn ingezet, ook als operateur bij de meer ingewikkelde machines, kookinstallaties en inblikmachines voldeden zij op uitmuntende wijze. Het vertrouwen in de jongens was toen reeds dusdanig groot dat toen de fabriekschauffeur allerlei materiaal naar Kamp Schoorl moest brengen, hij twee van de jongens als helpers meekreeg zonder dat een begeleiding nodig werd geacht. Groot was bij deze knapen de verbazing toen ze in een kamp voor NSB vrouwen terecht kwamen. Even ontstond een kleffe sentimentele sfeer wat begrijpelijk was want de vrouwen zagen uitsluitend de niet zo vlotte bewakers en het knuffelen van de beide en ook nog toevallig grote stevige knullen vond in de korte tijdspanne van het in- en uitladen tersluiks plaats. De chauffeur, bleek later, had met een van de meisjes een verkering op afstand en zou later met haar gaan trouwen. Dit heeft inderdaad plaatsgevonden. In die tijd ontstonden ook de eerste nadere kennismakingen met arbeidersmeisjes die aan het einde van de dag meeliepen naar het bus- of spoorwegstation. Soms zonder een leider omdat die door onbekende oorzaak niet aanwezig kon zijn. Naarmate dit vaker voorkwam mochten de jongens geheel zelfstandig van en naar hun werk gaan. Toen de inmaak van de seizoen gebonden groenten op zijn eind liep, werden de jongens overbodig en volgde onder dankzegging ontslag.

4711 Eau de Beverwijk.

Het volgende project kondigde zich aan. Een klus die veel smerig, maar vooral stinkend, werk met zich mee bracht. Gedurende lange tijd, aan het eind van oorlog, werd te Beverwijk het huisvuil vanwege het gebrek aan gas niet meer verbrand maar op een braak liggend terrein gestort. De gemeente Beverwijk wilde graag van de ratten en ongedierte aantrekkende rommel af, bovendien waren er plannen voor huizenbouw. Dit, zo dacht men, was dus precies een klus voor politieke delinquenten. En zo trok elke dag een ploeg jongens naar Beverwijk om handmatig met simpele schoppen, rieken en kruiwagens deze vuilnisbelt op te ruimen. De zomer van 1946 was zeer warm en langdurig en spoedig zagen de jongens er dan ook zeer bruin, sommige nagenoeg zwart verbrand, uit. Deze langdurige klus werd tot volle tevredenheid van de opdrachtgevers geklaard, alleen hield de gemeente zich niet aan de vooraf gemaakte betalingsafspraak. De leiding van Jozeboko heeft, ook na vele gesprekken en aanmaningen, nooit enige betaling ontvangen. Een slecht officieel voorbeeld. Ook werden te Beverwijk enige technisch opgeleide jongens langdurig tewerk gesteld op de tekenkamer van een bekende verwarmingsinstallatiebedrijf. Ook zij hebben daar tot volle tevredenheid gefunctioneerd en zijn voor hun toekomst goede kontakten gelegd.

Beach Watchers.

Te Wijk aan Zee brak het eerste naoorlogse strandseizoen behoedzaam aan. Verschillende strandpaviljoens moesten na de lange oorlogsjaren door de pachters weer worden opgebouwd met datgene wat na jarenlange opslag nog bruikbaar was en, waar nodig, gerepareerd moest worden. Dit was voor de op dat moment zonder werk zijnde jongens een pracht gelegenheid om op loopafstand van het kamp zich verdienstelijk te maken. Weliswaar vergde een en ander veel improvisatie, maar dat was voor deze knapen geen enkel bezwaar. De vrijheid van het leven op het strand met zijn wisselvallige weersomstandigheden maar vooral de groeiende, haast familiale, band met de strandpachters en hun gezinnen maakte voor de betreffende jongens het leven weer prettig en het gemis van hun eigen familie weer draagbaar. De kleine kinderen en opgroeiende meisjes en jongens hingen als klitten aan de gebruinde en door geruchten met geheimzinnigheid omgeven Jozeboko jongens. In het weekeinde fungeerden zij, ofschoon nooit daartoe opgeleid, als strandwacht en hielden vanaf een verhoging met een spoedig aangeleerde flair als volleerde redders de meute ouders en kinderen in de gaten. Door het ontbreken van enig speciale kledij, het hoofdhaar was ook al weer op normale lengte, wist geen van de strandbezoekers dat de jongens politieke delinquenten waren. De aloude gezegden ‘Kleren maken de man’ en ‘Wat niet weet, wat niet deert’, bewezen hier hun waarheid. Op een absurde manier bleek dit toen op het zgn. Zuidstrand, dus het deel dat zich min of meer zuidelijk van Wijk aan Zee bevindt, zich dagelijks bij een paviljoen een jong Joods meisje bevond. Na enige tijd bleek dat zij een overlevende was uit een concentratiekamp. De knaap die daar werkzaam was, eveneens een Waffen-SS-er, verzorgde haar naar beste kunnen ook als zij geestelijk volkomen afwezig, zeer schrikkerig en vaak onvoorspelbaar panisch van angst was. Niet duidelijk werd waar zij logeerde en door welke instantie zij voor haar gezondheid naar de kust was gestuurd. Zonder afscheid was zij ook weer plots verdwenen. Zij heeft nooit geweten door welk soort jongens zij vaak omringd was. Hoe zou het verder met haar zijn gegaan?


Sport staalt spieren.


Omdat sport volgens dhr. van Helder goed is voor lijf en leden, kregen enige jongens de opdracht om een duingedeelte, behorend tot en gelegen naast het gebouw, af te graven, vlak te maken en in te richten als voetbalveld. Dit nam wel enige tijd in beslag vooral bij gebrek aan kruiwagens. Enige stevige stokken met daartussen wat planken vormde een uitstekend transportmiddel om het zand naar een andere plek te vervoeren. Op deze wijze werd een behoorlijk grote duintop verplaatst. Na het gereedkomen is hiervan spaarzaam gebruik gemaakt, hoofdzakelijk voor een partijtje handballen. Een pas in het kamp gekomen knaap, die mijningenieur wilde worden en daar ook ruimschoots de capaciteiten voor had, raapte tijdens een spel een uit het zand opstekend en voor hem onbekend voorwerp op en stopte het zolang in zijn broekzak. Na de wedstrijd liet hij het aan de anderen zien die meteen zeiden het ding weg te gooien. Het ‘ding’ was namelijk een ontstekerstaafje van een Duitse steelhandgranaat en hoogst explosief bij teveel verwarming. De waarschuwing kwam te laat want op hetzelfde ogenblik explodeerde het staafje in zijn hand hetgeen een deel van de muis en duim wegrukte. De jongen werd snel naar de dorpsdokter gebracht en na enige tijd verder behandeld in het Rode Kruisziekenhuis te Beverwijk. Zijn positieve reactie was, dat het staafje gelukkig niet in zijn broekzak was ontploft, anders had hij geen ballen meer gehad. De betreffende knaap is kort daarna naar het zuiden van het land overgeplaatst.


vr jul 24, 2015 2:55 pm
Profiel
Eisbein

Geregistreerd:
za nov 26, 2011 11:05 am
Berichten: 277
Bericht Re: Heropvoeding
Driedelig krijtstreepje. Deel 2


Andere idealisten.

Een dreigende situatie, die volkomen uit de hand had kunnen lopen met ernstige lichamelijke gevolgen, ontstond op een zondagochtend toen een grote groep jonge mannen en vrouwen met rode vlaggen en daarop een sikkel en hamer plus de letters CPN over de Relweg richting strand liepen. Eerst weifelend bij het lezen van het nog steeds aanwezige vooroorlogse opschrift ‘Joodse Zee- en Boskolonie’ boven de ingang van het gebouw, daarna opgefokt agressief door de kreet ‘Dat zijn vuile SS-ers’ van een hunner, dreigde er een handgemeen door het opdringen van de fanatieke CPN jongeren. De circa 15 jongens die op dat moment aan de voorzijde van het gebouw in de zon zaten wisten hun kalmte te bewaren, stonden zonder een woord te zeggen op en plaatsten zich zij aan zij evenwijdig met het hek dat de afscheiding vormde met de ongeveer 2 meter lager gelegen Relweg. Nog steeds zonder een woord te zeggen staarden zij met een vastberaden gelaatsuitdrukking de CPN massa aan, zich niet bewust dat hun hoger standpunt psychologisch in hun voordeel werkte. De overige jongens en de dienstdoende leiders kwamen nu ook uit het gebouw, overzagen de situatie en sloten zich aan bij de anderen. De CPN massa werd nu nog meer onzeker en na het gebruikelijke gescheld en misbaar zetten zij hun tocht naar het strand voort. Het stukje in de plaatselijke Beverwijkse krant, de volgende maandag, gaf op de gebruikelijke propagandistische CPN manier een onjuist en opruiend verslag van het gebeurde.


Een beschaafde frisse wind.

Ongeveer in deze periode vond een wisseling in de kampleiding plaats. De oorzaak lag in een aanklacht bij justitie over fraude en diefstal gepleegd door de kampdirecteur dhr. van Helder. De aanklacht was ingediend door enige onkreukbare leiders onder aanvoering van dhr. van den Broek. Na voorzichtige vragen hierover bleek dat een grote partij chocolade en ander ingeblikt voedsel, geschonken door een Amerikaanse Relief organisatie, door dhr. van Helder ten eigen bate was geruild voor echte Perzische tapijten. Toen werd een en ander de jongens duidelijk. Er was inderdaad ooit, begin 1946, een partij dozen door de jongens uitgeladen en opgeslagen in een naderhand afgesloten kamer. Na geruime tijd werd hiervan een klein deel op de afvalhoop gegooid. Bij een sluiks bemachtigen en openen van een doosje daarvan, zag de betreffende jongen, dat er beschimmelde chocolade in zat. De woede was groot, na het afkrabben van de schimmel werd hiervan toch gesnoept. De rest uit de afgesloten kamer was verdwenen en daardoor het ‘s nachts in -- en uitladen van de spullen door vreemde mannen met een aftandse vrachtauto verklaard. Het proces werd door de leiders gewonnen, de uitspraak bleef voor de jongens onduidelijk, en de door de jongens altijd als een gluiperd en onwaarachtig ondervonden heer van Helder kwam tot grote vreugde niet meer terug. Een nieuwe directeur, dhr. Jansen, deed zijn intree eveneens vergezeld door zijn vrouw. Deze zeer rooms-katholiek gelovige man en vrouw waren zeer beschaafd en hadden duidelijk merkbaar een zeer goede hogere opleiding voor dit soort jeugdwerk genoten. Reeds spoedig veranderde de sfeer in positieve zin. Verschillende beperkingen werden afgeschaft en op basis van wederzijds vertrouwen werd de persoonlijke bewegingsvrijheid binnen de mogelijkheden zeer ruim. De eerste schuchtere bezoeken door ouders, broers, zusters en andere familieleden die onder dhr. van Helder mondjesmaat en ook willekeurig waren toegestaan kregen ook een ander karakter. Vond het bezoek in het begin nog plaats in het kantoortje direct rechts naast de ingang en met een van de leiders als luisterend en regelend controleur, na het aantreden van dhr. Jansen mocht men zonder controle in de grote zaal gaan zitten of een wandeling gaan maken in het omringende duin- en strandgebied. De meegebrachte kleding, studieboeken, muziekinstrumenten, spellen, spullen voor de persoonlijke verzorging en andere geliefde privé zaken gaven het uiterlijk van de jongens en ook de slaapzalen een ander aanzien.

Vriendendood.

Nog maar kort in functie kreeg dhr. Jansen te maken met een zeer tragisch ongeluk dat hem in conflict bracht met zijn Haagse superieuren en daardoor zijn toegepast beleid van ‘Vrijheid met Verantwoording’ in gevaar kwam. De oorzaak was het verdrinken in zee van twee jongens, Benny Kl. en Cor V., die in het kamp hechte vrienden waren geworden met een onvoorwaardelijke toegewijdheid. Na de grote schoonmaak van het Badhotel gingen zij als vaste hulpen iedere dag daar naar toe voor het dagelijkse onderhoud. Vooral bij goed weer was hun looproute dan ook via de Relweg naar het strand om daarna verderop het strand via de op - en afgang bij de Zwaanstraat het Badhotel te bereiken. Zo geschiedde dit ook op een mooie dag en de verlokking van een verfrissende duik in zee bracht Benny dan ook daartoe. De aflandige wind en de daardoor ontstane onderstroom met de verraderlijke muien bracht hem in grote problemen. Zijn hulpgeroep bracht Cor ertoe, ondanks de onderkenning van het gevaar, om ijlings zijn vriend te hulp te zwemmen. Wat zich verder in zee heeft afgespeeld kan men alleen maar gissen. Toen de twee niet op tijd terug waren voor de avondmaaltijd, kwamen de leiders in actie. Alle mogelijkheden werden nagegaan maar geen daarvan bracht een direct antwoord. Na een dag werd het vermoeden van verdrinking zekerheid door het vinden van enige kledingstukken op het strand welke aan de twee jongens toebehoorden. Van toen af werd het strand bij toerbeurt over een grote afstand regelmatig door de jongens en de te hulp geroepen instanties afgezocht. Na ruim een week werd elke nog bestaande twijfel een keiharde waarheid toen men het aangespoelde lijk van Benny vond op enige afstand in noordelijke richting van de Relweg. De betreffende families werden nu op de hoogte gebracht van het ongeluk waarbij men aannam dat Cor eenzelfde lot had ondergaan.. Voor de vader en moeder van Benny was deze tragische gebeurtenis des te meer onverdraaglijk doordat zij beiden nog gevangen zaten, geen enkele aanspraak met andere familieleden hadden en ook geen deel konden nemen aan alle voorbereidingen voor de begrafenis. De vader en moeder en zusters van Cor, hadden geen foute politieke achtergrond en waren dan ook vrij in hun doen en laten. Echter, van Cor was nog geen enkel spoor gevonden. Weken nadien spoelde hij aan op enige kilometers afstand in noordelijk richting vanaf de Relweg. Opgezwollen en met een nagenoeg onherkenbaar afgesleten gezicht als gevolg van het voorover liggen en het door de golfslag constant heen en weer bewegen van het gezicht op de zandbodem. Zijn familie nam na alle formaliteiten het lichaam over en verzorgde zelf zijn begrafenis. Benny was ondertussen al lang begraven. Omdat hij katholiek was en zijn ouders niet vrij in hun handelen, werd de begrafenis door de kampleiding geregeld, zodanig dat hij op het kleine intieme kerkhofje van de katholieke dorpskerk mocht worden bijgezet. Alleen zijn moeder, volkomen kapot van verdriet, was daarbij aanwezig begeleid door een bewaker. Zijn vader die in de Limburgse mijnen tewerk was gesteld, had geen toestemming gekregen voor de laatste reis van zijn zoon. Nagenoeg het gehele Jozeboko-kamp was aanwezig. Niet iedereen kon een plaats vinden in de kleine kerk en daarom wachtte de niet katholieke jongens buiten de kerk naar wat komen ging. Na de mis volgde de teraardebestelling in gewijde aarde vlak naast de kerk. Het gebruikelijke condoleren met koffie en cake bleef achterwege. De bewaakte moeder moest direct weer terug naar haar kamp.

Gewoonte getrouwe plicht.


Na terugkeer in het kamp realiseerde de knaap die bij de nonnen werkte zich de bizarre onmenselijke persoonlijke situatie van Benny’s moeder. Zonder enige foto van haar zoon of een enkel persoonsgebonden voorwerp om te koesteren moest zij nu in het nuchtere en zakelijke dagelijkse kampleven het verdriet om haar enige lievelingszoon maar zien te verwerken. Hij realiseerde zich ook dat de kampjongens toch ook wel een mentale tik van de oorlog hadden overgehouden. Was het in zijn compagnie gebruikelijk, een absolute kameradenplicht, om de privé spullen van een gesneuvelde kameraad op te sturen naar de nabestaanden, nu met de dood van Benny dacht niemand meer aan deze vanzelfsprekende daad en bleef zijn opbergkast onaangeroerd. Hij besloot dan ook om dit maar weer eens te doen en de moeder toch iets te laten toekomen dat een houvast kon zijn in de komende zware maanden. Dat zij bij de conservenfabriek van Docter te Beverwijk op de inpakafdeling in de van Lingenlaan tewerk was gesteld had hij reeds tijdens de begrafenis vernomen. Veel keus was er niet omdat haast iedereen een minimum aan spullen en kleding bezat als gevolg van het rigoureuze plunderen van de BS-ers vlak na de bevrijding. Toch was er een klein mapje met een foto en een kledingstuk met daarop een door hem gekoesterde Edelweiss afkomstig uit Oostenrijk waar hij dienst had gedaan. Op een gammele damesfiets is hij toen naar de Docter-fabriek in Beverwijk gereden en had het geluk dat de ramen aan de straatkant vanwege het mooie weer geopend waren. De inpakafdeling werkte nagenoeg geheel met NSB-vrouwen. Alles moest nu op slinkse wijze gebeuren want de vrouwen mochten geen contact hebben met of iets aanpakken van normale burgers. Toen hij dan ook bij het raam bleef treuzelen begreep een dichtbij staande vrouw dat zijn aanwezigheid betrekking had op een van hen. Haar werkzaamheden langzaam naar het raam verleggend kreeg zij het doel van zijn bezoek te horen. Op een eveneens onopvallende wijze werd de moeder van Ben, zij stond op een verhoging een inblikmachine te bedienen, door een andere vrouw vervangen en kon zij zich bij het raam vervoegen. Met moeite kon zij een hevige huilbui onderdrukken bij het in ontvangst nemen van Benny’s spullen. Geen woord werd gewisseld, alles was zondermeer duidelijk. Bij zijn terugkomst in Wijk aan Zee bleek dat de nonnen hem niet hadden gemist of zij deden alsof. In de Beverwijkse lokale krant werd natuurlijk over dit ongeluk verslag gedaan en hoorde men daarna in fabrieken en op werkplekken de opmerking ‘Goed zo, laten ze allemaal maar verzuipen’. De jonge meisjes die reeds kennis hadden gemaakt met de diverse jongens namen het vreemd genoeg op voor de jongens en schreven zelfs brieven met verontschuldigingen. Zelfs de dochter van een communistische verzetsstrijder, Anneke K. ondertussen hevig bevriend geraakt met een Waffen-SS-er, liet haar afkeur overduidelijk blijken. Opvallend was de wekelijkse komst van een prominente verzetsstrijder die dan met een groepje jongens ging bridgen of het meer populaire klaverjas ging spelen. Of dit ook een initiatief van dhr. Jansen is geweest blijft ongewis. Van beroep was deze man onderwijzer en woonde in een huis tegen de steile flank van het duin aan de Julianaweg. In de barre winter van 1946 werd hij de gelukkige vader van een dochter. Vanwege de kolenschaarste was het in het hoog gelegen huis zeer koud en heeft een van de zgn. zware gevallen (een Waffen-SS-er) op een listige manier ergens een mud kolen gestunt en deze op zijn nek naar het huis gebracht. Bij het openen van de deur en de vragende blikken zei hij alleen maar ‘Een cadeautje voor het kind’ en was meteen weer weg. Hijzelf heeft hierover met geen mens ooit een woord gesproken en hoe de reacties in de directe familiekring van de schoolmeester zijn geweest laat zich ook raden. Uiteindelijk was in die jaren een mud antraciet kolen veel waard vanwege de intense, fluwelige warmte en lange brandduur.


IQ.


Het verschijnen van enige keurige heren die in een speciaal opgeruimd kamertje kantoor maakten gaf alle rede voor speculaties. Al snel bleek dat het psychologen waren die de opdracht hadden de jongens te testen. Of dit een initiatief was van de directeur of een hoger doel diende, is in het duister gebleven. Alle gebruikelijke testen, inclusief de Rohrschach passeerde de revue. De uitslag was dat een zeer geringe minderheid een laag IQ-getal had, het gros kwam er goed uit en een kleine groep had een IQ hoger dan 130. De zoon van een Nederlandse Bank directeur, Michiel B., die rechten wilde studeren, kwam als hoogste uit de test, evenals Bill B. de zoon van een vooroorlogse beroepsofficier in het Nederlandse leger. Kort daarna werd door de leiders een zgn. detectivespel, zeer realistisch verspreidt binnen en buiten het gebouw, opgesteld. Of dit ook tot de IQ-test hoorde bleef vaag. Het was een moord die opgelost kon worden door scherp en logisch denkwerk dat ook nog in een rapport beredeneerd moest worden. Het missen van zeer kleine details kon al leiden tot verkeerde conclusies. Tijdens een gezellige bijeenkomst in de grote eetzaal werd de uitslag bekend gemaakt. Met voorsprong is Frans V. de hulp in het nonnenhuis, winnaar geworden. Als prijs kreeg hij een mooi boek met daarin een opdracht geschreven door de directeur. Hij vroeg zich toen af of hij zich niet te veel bloot had gegeven want in elk kamp moet je niet opvallen, om welke reden dan ook. Het bezoek van een groep padvinders uit Uitgeest waarvan leider, dus de hopman, dhr. Weening was, gaf een heel weekend veel activiteiten vooral op het gebied van de normale groepsbezigheden van padvinders. Alleen het regelmatig slaken van een yell vond geen enthousiasme bij de Jozeboko-ers. Een groepsfoto moest ook worden gemaakt en wordt bij enige jongens nog met plezier bekeken. Tijdens de gezamenlijke maaltijd viel het ongedisciplineerd vrijmoedig gedrag van de padvinders bij de Jozeboko-jongens op. Ingestampte discipline liet zich nog steeds gelden.

Meer vertrouwen.

Een sprekend bewijs van vertrouwen was het gezamenlijk bezoek aan een muziekuitvoering in Beverwijk. Dit vond in de avonduren plaats en de kans op verdwijnen was optimaal aanwezig. Doordat niet alle jongens geïnteresseerd waren in klassieke muziek was de groepsgrootte beperkt gebleven tot circa 12 man en verliep de avond volgens het patroon van een grote familie die een avondje uit was. Ook het in groepsverband op eigen gelegenheid, dus zonder leiders, gemaakte avondlijk bezoek aan een circus uitvoering in het oude RAI--gebouw te Amsterdam was eveneens een proeve van groot vertrouwen en zelfdiscipline voor deze ongewone groep jongelui. Het voor iedere kampjongen geopende spaarbankboekje was ook zo’n doordachte daad van de nieuwe kampleiding. Niet tijdens hun kampperiode bekend bij de jongens, was de overhandiging van het boekje bij hun invrijheidstelling een complete verrassing. Enige jongens bewaren het nu ouderwets aandoende kartonnen boekje nog altijd als een kostbaar souvenir. In het late najaar van 1946 lanceerde dhr. Jansen het idee om de jongens met een vaste verkering, hun dames te laten uitnodigen om een weekeind te komen logeren. Het plan was dat zij zouden slapen in het katholieke kindertehuis Maris Stella aan de Voorstraat. Door enige knapen is hieraan gevolg gegeven en het is een zeer geslaagd maar ingetogen weekeind geworden. Na het ontbijt in Maris Stella werden de dames door de jongens afgehaald waarna zij in het Relwegkamp of directe omgeving de dag doorbrachten. Het strand en de duinen nodigde hen uit tot wandelingen. Na de avondmaaltijd en ruimschoots voordat de nonnen gingen slapen moesten zij weer terug zijn in Maris Stella. Daar waren zij onder de hoede van de nonnen optimaal beschermt tegen elke vleselijke verleiding en slinkse listen van de verdorven (dat kon niet anders) delinquenten. Omdat de nonnen volgens de regels zeer vroeg naar bed gingen duurde de nachten aldus voor de dames ongebruikelijk lang hetgeen geleid heeft tot het gebruikelijke keet schoppen. Een minder prettig bezoek werd gebracht aan het hoofdkwartier van de POD / PRA toenmaals gehuisvest in de voormalige Ortskommandantur op de Dreef aan de rand van de Haarlemmerhout te Haarlem. De dag daarvoor werd een korte mededeling gedaan door een van de leiders dat de volgende dag bepaalde jongens in het kamp moesten blijven. Op die dag verscheen ‘s morgens een open vrachtauto met een zeildoek afdekking. Toen de jongens instapten zaten er reeds diverse andere vreemden in en kwamen zij tussen mannen met geweren te zitten. De tocht ging zwijgzaam naar Haarlem alwaar zij bij het POD-gebouw moesten uitstappen en ieder afzonderlijk in een cel gestopt. Sommige werden ondervraagd, andere bleven tot circa vier uur in de middag, zonder drinken of voedsel, in hun cel zitten en werden toen weer met de anderen in dezelfde vrachtauto gestopt. Tijdens de terugreis stak een bewaker een sigaret op en bood een kampknaap die naast hem zat ook een rokertje aan. Na het opsteken gaf deze gewoontegetrouw de sigaret door aan een andere kampknaap na eerst zelf een haal genomen te hebben. Dit bevreemde de bewaker zeer. Het bleek nu dat hij dacht dat, de kampknaap en de anderen, leiders waren in het Relwegkamp. Dit dachten ook de andere vreemde mannen die in Wijk aan Zee al in de auto zaten ook. Het waarom zat hem in de vrije en zelfstandige manier van optreden van de Jozeboko-ers. De sfeer was meteen gebroken, de veiligheidspal van het wapen op veilig gesteld en de eventueel aanwezige sigaretten opgestoken. Naderhand werd nog menigmaal hartelijk gelachen om dit Köpenick-incident.

Operette.

Een hoogtepunt dat altijd in het geheugen is blijven hangen bij de eerste lichting jongens was de opvoering van de Relweg-operette. Op de melodie van de operette “Im Weissen Röss’l “, had Bill B., de zoon van een vooroorlogse officier in het Nederlandse leger, een eigen tekst geschreven met voorvallen in het kamp als thema. Het werd een groots opgezette actie waarbij iedereen op de een of andere wijze zijn steentje bijdroeg, zoals het maken van de coulissen, het beschilderen daarvan, de opbouw van een toneelverhoging, de in elkaar flansen van de gordijnen, het meervoudig uittypen van de tekst, het vervaardigen van attributen, enz.. En natuurlijk gaf het instuderen van de tekst en de fysieke handelingen het nodige gekrakeel maar ook veel hilariteit. Voor de coulissen waren grote stukken stevig papier nodig om op een houten raamwerk te spannen om daarna met passende taferelen beschilderd te worden. Voor het verkrijgen van het papier was de enige optie de papierfabriek Van Gelder te Velsen-Noord. Twee daarvoor geschikte knapen kregen toestemming om deze klus te klaren. Met een minimum aan geld voor de reis en aankoop van het papier werd de tocht ondernomen, dus met de bus naar Beverwijk en daarna te voet via de Wijkerstraatweg verder. Bij de juiste afdeling in de papierfabriek waar het kant en klare papier op een spindel tot grote rollen werd opgerold werd het probleem uitgelegd. In die tijd kon dat tijdens het productieproces nog worden gedaan. Men had alle begrip voor de situatie vooral toen een van de twee jongens een verhaal vertelde dat volkomen klopte maar waarbij hij niet de juiste achtergronden vermeldde. Het ging over door de oorlog ontheemde kinderen waar hij en anderen nu een leuke avond voor gingen maken. Het gevolg was dat een zeer breed en ontzettend lang stuk papier werd opgerold en gratis kon worden meegenomen. Voor die twee zat er niets anders op dan de toch wel zware rol op de schouders te nemen en weer lopend richting Beverwijk te gaan. Het verdere vervoer per bus was na enig proberen ook uitgesloten omdat de rol te lang en te stug was om de draaiing te maken bij de krappe ingang van de bus en een dakluik was ook niet aanwezig. Vanaf het busstation bij het stationsgebouw van de NS werd dan ook maar weer moedig de lange voetmars naar Wijk aan Zee ingezet. Reeds vrij ver op weg kwam, tot hun geluk, een open vrachtauto hen achterop die, de situatie overziend, hen een lift aanbood. Afgezet bij het begin van de Relweg was het laatste stuk een zegetocht in het besef dat zij voor een paar kwartjes enkele reis bus een hele goede klus hadden geleverd. Dat zij bekaf waren deed er dan ook niet toe. Omdat een operette natuurlijk niet zonder muziek kan worden opgevoerd werd na enig beraad en organisatie een compleet drumstel opgehaald bij de ouders van de slagershulpen die ergens in Noord-Holland woonden. Niet meer te achterhalen hoe een en ander georganiseerd is, maar plots was ook een accordeon aanwezig. Op de avond van de uitvoering waren behalve alle kampingezetene, ook diverse andere mensen die geregeld in het kamp kwamen aanwezig. Het werd een daverend succes niet alleen doordat het een initiatief van de jongens zelf was, maar ook door het perfectionisme, het enthousiasme en de soepelheid waarop het werd gebracht. Nog lang daarna hoorde men de melodieën zingen en fluiten en het toneel heeft inclusief de coulissen en rekwisieten tot ver na de oudejaarsviering bestaan. Een van de jongens (Frans V.) die de goochelkunst enigszins dacht meester te zijn heeft daarop toen nog een voorstelling gegeven voor de kleine NSB-kindertjes die in Maris Stella gehuisvest waren. Het succes was onduidelijk omdat de kinderen zeer onrustig waren door de looptocht naar het kamp en de voor hen totaal andere en vreemde omgeving.

Kerstverlof.

Geheel onverwacht kregen de jongens aan het einde van het jaar te horen dat zij met de feestdagen tweedagen en een nacht naar huis mochten. Dit gold dan voor diegene die naar hun ouders of familie konden gaan. Voor enige jongens zonder een tehuis is een andere oplossing gevonden. De afspraak was dat iedereen op de tweede kerstdag om 22.00 uur weer terug zou zijn in het kamp. Voor de meeste waren deze dagen een hemeltje op aarde, al was het alleen maar het slapen in hun eigen zachte bed. Voor enige andere een grote teleurstelling door verwijten en andere familiale oorzaken. Vreemd genoeg, maar verklaarbaar, waren die jongens weer blij terug te zijn in het kamp. Regelmatig kwamen uit andere kampen die werden opgeheven nieuwe jongens naar Jozeboko. Of dit allemaal jongens waren met een politieke achtergrond was niet duidelijk omdat in het algemeen weinig of in het geheel niet over ‘vroeger’ gesproken werd. Het sociale gedrag van de nieuwen gaf te denken, was toch anders, vaak asociaal en dat beïnvloedde de oude sfeer uit de pionierstijd. Opvallend was, voor wie daar oog voor had, dat de eerste hangsloten op de privé kastjes verschenen. Voor de jongens die bij de Waffen-SS hadden gediend was dit een gruwel. Daar was het de gewoonte dat de kasten altijd toegankelijk waren. Diefstal van een kameraad bestond gewoonweg niet, was een doodzonde. Op ‘Kameradenklau’, dus diefstal van een kameraad, stond een zeer zware straf. Behalve dat de soldaten de dief zelf met het zgn. ‘Heilige Geist’ ritueel afstraften, bestond er ook nog voor de zwaardere gevallen het SS-strafkamp Matzkau bij Dantzig waarover verhalen de ronde deden die zelfs bij ex-concentratiekamp gevangenen in hun ergste nachtmerries niet voorkwamen. Deze afstand scheppende veranderingen in het sociale kampverkeer werd mede versneld doordat reeds verschillende ‘jongens van het eerste uur’ in vrijheid werden gesteld en daardoor de getalsmatige verhouding tussen de oude en nieuwe jongens in het nadeel van een goede sfeer kwam te liggen.

1947.

De tweede naoorlogse winter, dus die van 1946 naar 1947 was eveneens zeer koud en streng.
Het vroor zo hard, dat zelfs voor de kust een zeer breed en dik ijsveld lag. Omdat de eb -- en vloedgetijden gewoon doorgingen werd er op de scheidslijn van strand en zee door het kruiende ijs een hoge ijswal van schotsen opgebouwd. Na enige tijd zo hoog, dat wilde men de zee zien, men genoodzaakt was deze ijswal te beklimmen. Dit fenomeen trok natuurlijk bij mooi weer vooral op zondagen, toen nog een echte rustdag, veel stedelingen aan. Ook een groot vrachtschip dat op enige afstand in nood verkeerde en hulp nodig had gaf ook veel kijkdrukte. Men moest dit zelf zien want televisie was nog een onbekend begrip. In het Jozeboko gebouw zelf veroorzaakte de vorst diverse ongemakken. Onbeschermde waterleidingen die sprongen, verwarming die uitviel, riolering die niet functioneerde, klemmende deuren en ramen als gevolg van bevriezend vocht waardoor soms ruiten het begaven gaven de jongens die geen werk buiten het kamp hadden handen vol werk. Door het gebrek aan allerlei middelen om een reparatie terdege uit te voeren werd van de inventiviteit der jongens veel geëist. Opnieuw werden verder afgelegen bunkers afgeschuimd naar eventueel achtergelaten bruikbaar materiaal. Een grote steun was in deze tijd ook het praktische werkinzicht van Jan W. die als loodgieter bij zijn oom in het dorp werkte en in voorkomende gevallen met het juiste gereedschap aan kwam zetten. De knaap die bij de katholieke zusters en op school de zaak op orde hield, werd door dhr. Jansen gevraagd of hij bij de in Zandvoort wonende accountant van het kamp een timmerklusje wilde uitvoeren. Deze had op de nog kale zeereep vlak bij het oude centrum van het dorp een pas gebouwd huis tot zijn beschikking gekregen. Alleen was de bouw in te rap tempo uitgevoerd en sloten veel ramen en deuren niet of waren krom getrokken, drempels te hoog of te laag en meer van dergelijk ongemak. Nog onbekend wat hem te wachten stond en ondanks dat hij geen timmerman was zocht hij het weinige gereedschap dat er was bij elkaar want zijn motto was dat je alles kan als je maar wil. Na het ontvangen van een paar gulden reisgeld vertrok hij de volgende morgen vroeg. Ondanks dat zijn ouders in het nabije Haarlem woonden nam hij zich voor geen misbruik van de situatie te maken. Ter plekke gekomen en na kennismaking met de bewoners in het behoorlijk koude huis schrok hij behoorlijk van de omvang der te repareren zaken. Het meeste vroeg om aanpak door vaklui met goed gereedschap en inzicht, maar die waren op korte termijn niet voorhanden. Deuren en ramen waren door verkeerd materiaal gebruik zeer krom getrokken en moesten eerst weer uit elkaar worden genomen. Met zijn simpel gereedschap heeft hij toch de voor - en achterdeur weer zodanig kunnen fatsoeneren dat deze gesloten konden worden en de warmte dus enigszins binnen bleef. Om omstreeks 5 uur in de reeds donker wordende koude wintermiddag ging hij weer rechtstreeks richting kamp zonder die dag iets te eten of te drinken te hebben gehad. In het kamp aangekomen wist men al hoe laat hij was vertrokken en dat hij dus onderweg was. Op zijn vraag of er door de kok misschien nog wat te eten voor hem was klaargezet reageerde men verbaasd. Had hij dan niets van de accountant te eten gekregen ? ? ?

De Israëlische officier.

In het voorjaar vond een vreemde gebeurtenis plaats waarvan de ware achtergrond nooit duidelijk is geworden voor de betrokkenen. Een militair in het toenmalige gebruikelijke Engelse khaki-dress en met een ster op zijn epauletten, kwam met een open vrachtwagen bij het kampkantoor. Na een onderhoud met de directeur dhr. Jansen werd door een van de leiders circa tien man aangewezen om mee te gaan met deze officier. De rit ging naar IJmuiden waar de tocht voortgezet werd met een kleine sleepboot naar een smalle strekdam. Iedereen moest nu van de boot op de dam zien te komen wat nogal moeilijk ging omdat er geen aanlegplaats was. Natte schoenen en kleding was het resultaat. Ondertussen was het de jongens, na het uniform nauwkeuriger te hebben bekeken, duidelijk geworden dat het een officier was van de Joodse Brigade, een apart onderdeel binnen het Engelse leger. Bekend was wel dat diverse militairen daarvan op de IJmuidense visserijschool een zeevaartkundige opleiding volgden met de nadruk op de zeevisserij als voorbereiding op hun terugkeer als burger naar Israël. Op de strekdam, bestaande uit grote basaltstenen, werd door de officier met de meegekomen leiders gesproken over de mogelijkheid van het aanleggen van een aanlegplaats (haventje) daarop. De jongens drentelden maar wat heen en weer zich afvragend wat voor zin het had om op zo’n smalle dam, de boven water uitstekende breedte was hooguit drie meter, door een stel jongens zonder speciale vakkennis iets waterbouwkundigs te laten uitvoeren. Na korte tijd was het gesprek met de leiders afgelopen en stond een ieder maar wat rond te staren, evenzo de officier die lange tijd voor zich uit naar het water stond te staren. De sfeer werd om onduidelijke reden voelbaar onprettig, dat onderbroken werd toen een van de leiders aanstalten maakte om op de, tegen de basaltstenen van de dam aanleunende wachtende boot te klimmen. De rest van de jongens volgde onmiddellijk en zwijgend werd de tocht terug gemaakt. In het kamp vroeg men zich af hoe een officier van de Joodse Brigade er toe kwam om een aanlegplaats te willen bouwen op een onlogische plek in het havengebied dat ook nog onder het gezag van Rijkswaterstaat viel, zonder begeleiding van een ambtenaar van Rijkswaterstaat en dan ook nog een stel politiek delinquenten daarvoor aanzocht. De vraag rees zelfs of deze man wel een reguliere officier was. Allerlei speculaties zijn geopperd maar er is nooit een aanlegplaats op die plek gebouwd en ook nooit meer iets van de man over vernomen.

Veroordelingen en ontslagen.

De eerste die in het begin van het najaar 1946 met een auto van de justitie werd opgehaald om voor een rechter te verschijnen was Rinus K Zijn vader, moeder en zuster waren nog steeds gedetineerd, van zijn broer Jan die als Rottenführer bij de Landstorm Nederland had gediend was tot dan toe nog niets vernomen. Terloops vertelde Rinus dit aan Jan N. een bevriende knaap. Toen die enige tijd later in gesprek was met een knaap die bij de Waffen-SS had gediend en het verhaal over de broer van Rinus ter sprake kwam was diens reactie ‘die is gesneuveld’ even nuchter als direct. De plaats, oorzaak, datum en summier de begraafplaats wist deze knaap zonder enige twijfel te noemen omdat hij er zelf bij was geweest. Toen Rinus op de hoogte was gebracht, kon of wilde hij dit bericht niet als waarheid aannemen. Hij klampte zich geestelijk vast aan de wens dat zijn lievelingsbroer nog leefde, desnoods gedeserteerd was. Toen naderhand zijn moeder als eerste vrijkwam, is deze gaan zoeken op begraafplaatsen in de directe omgeving van de aangegeven plaats van sneuvelen. Dit heeft toen tot niets geleid. Naderhand stond op een lijst van de Duitse Gravendienst, de Kriegsgräberfürsorge-dienst zijn naam vermeld, echter met een onjuiste latere sterfdatum. De, door politieke motieven ingegeven, versnelde en soepele berechting van de niet zware gevallen was nog niet op gang gekomen. Rinus K. had dan ook de pech tot acht jaar tuchthuis te worden veroordeeld. Toen hij in het kamp terugkeerde in afwachting van de uitspraak en transport naar een tuchthuis werd de stemming in het kamp door deze ontnuchterende realiteit ver beneden normaal. De zgn. zware gevallen verwachtten tijdens hun proces een nog zwaardere eis te zullen horen. Enige hebben nog het idee geopperd om naar Duitsland uit te wijken alwaar zij automatisch de Duitse nationaliteit konden krijgen. Dit vanwege een nu nog steeds van kracht zijnde wet, “Führererlass”, die Adolf Hitler in het leven had geroepen voor Europese vrijwilligers in dienst bij de Waffen SS. De berichten in de kranten over een verder voortgaande versoepeling bij de behandeling van de delinquenten tijdens de processen, is waarschijnlijk de aanleiding geweest om in het kamp te blijven. Niet lang daarna werd Rinus opgehaald en moest in Veenhuizen, een kamp met een streng regiem, dagelijks gaten ter grote van minimaal twee kubieke meter graven. Dit moet voor hem nogal slopend zijn geweest, want toen hij in mei 1947 vervroegd werd vrijgelaten en het Relwegkamp bezocht zag hij er sterk vermagerd uit. Ondertussen was zijn straf teruggebracht op twee jaar plus ontzegging van allerlei wettelijke grondrechten. Tussen najaar 1946 en de verplaatsing van het kamp, volgden regelmatig vrijlatingen van vooral de lichte gevallen. Deze hoefden niet meer voor een rechter te verschijnen, maar hun veroordeling werd administratief afgehandeld. Hierbij speelde natuurlijk een cruciale rol of zij na hun vrijlating een regulier tehuis hadden. Van de meeste werd nadien nooit meer wat vernomen. Of dit uit schaamte of uit ongeïnteresseerdheid was, is met het oog op die tijdsperiode van zwart/wit denken en nawijzen moeilijk te verklaren. Een paar jongens die in de regio woonden kwamen vrij regelmatig langs om hun oude lotgenoten en dan vooral diegene waar zij een sterkere band mee hadden, bij te praten en eventueel te helpen. Dat waren dan voornamelijk de sociale en idealistisch ingestelde karakters.

Verhuizing.

Eind 1947, begin 1948 kwam de verplaatsing van het kamp op gang. Eerst naar een volkomen ongeschikte villa aan de Hoge Duin en Daalseweg te Bloemendaal. Na een korte tijd aldaar opnieuw een verplaatsing naar het prachtige landgoed met de naam Bosbeek aan de Glipperweg te Heemstede. Bosbeek was prachtig gelegen te midden van veel groen en aanleunend tegen het mooie en uitgebreide Groenendaalse Bos met de kinderboerderij en het markante kleine molentje bij een van de ingangen. Ooit had Bosbeek toebehoort aan de puissant rijke Joodse bankier Guttmann die bij zijn vlucht naar Zwitserland samen met zijn vrouw in Frankrijk werd opgepakt. Beiden lieten het leven in Auschwitz. Na vele jaren van marchanderen kreeg de familie enige schilderijen en wat antiek meubilair terug. Aan het begin van de oprijlaan bevond zich de niet al te grote portierswoning. Hierin had dhr. Jansen met zijn vrouw intrek genomen. In het grote huis met de ruime vertrekken waren de jongens en de leiders ondergebracht. De sfeer was totaal anders dan die uit de beginperiode in Wijk aan Zee. Van een politieke of militaire achtergrond was niets meer te bespeuren en van een positieve sociale opstelling en zelfdiscipline was nog nauwelijks sprake. De bezoekende oude getrouwen van het eerste uur lieten het spoedig afweten, niet alleen omdat er geen enkele jongen van het eerste uur meer bij was, maar vooral door de onverschillige mentaliteit. Dit waren nog uitsluitend asociale jongeren gelijk aan al diegene uit andere opvoedingsgestichten. De heer Jansen met zijn vrouw waren dan ook altijd zeer verheugd als een van de jongens uit de beginperiode langs kwam en informeerde altijd met oprechte belangstelling naar hun persoonlijke belevenissen, hun werk,studie en verdere toekomstverwachtingen.

Toezicht.

De vrijgekomen politieke delinquenten, dus ook de Jozeboko-jongens, waren echter niet verlost van de corrigerende en controlerende greep van regeringsinstanties en pseudo-opvoeders. Spoedig na thuiskomst moesten zij regelmatig opdraven bij een van de burelen van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Een Stichting die per 20 september 1945 was opgericht en bij beschikking van 29 juni 1946 door de Minister van Justitie als reclasseringsinstelling erkend. Het allereerste initiatief tot oprichting van een Stichting kwam van Prof. Mr. F.J.F.M. Duynstee. De bezetting van de posten in het Hoofdbestuur, de Raad van Bijstand en de Directeur was niet alleen indrukwekkend te noemen in aantal, 91 mannen en vrouwen, maar ook in maatschappelijke posities en bekwaamheden. Diverse jongens, speciaal diegene die niet uit politieke overtuiging bij de Duitsers waren terechtgekomen, dus uit normale gezinnen, wilden niet betutteld worden en haakten spoedig af ondanks bezwaren en druk van die Stichting. Door het ontbreken van een koppeling tussen de administraties van justitie en defensie kregen diverse jongens met de juiste leeftijd een oproep om zich te melden voor de dienstplicht met uiteindelijk een uitzending naar Nederlands-Indië. Verschillende hebben, ondanks een verbod daartoe in hun vonnis, zich stilzwijgend gemeld en zijn naar Nederlands-Indië vertrokken. Was dit een wens tot rehabilitatie of konden zij thuis niet meer wennen? Na terugkomst is menigeen in militaire dienst gebleven en hebben een goede carrière doorlopen De algemene beoordeling, op een enkeling na, was meer dan uitstekend. Één van hen sneuvelde in de Koreaanse oorlog en ontving naast de gebruikelijke dapperheidonderscheidingen ook postuum het Bronzen Kruis.



PERSONEEL

Eerste directeur: Hr. van Helder. Korte man, stugge roker, had kleine dikke vrouw, hulppredikant, corrupt, verruilde voedsel van de gevangenen voor Perzische tapijten ten eigen bate. Had een zeer bekrompen achterdochtige mentaliteit. Ging vaak luistervink spelen en beschuldigde zomaar iemand ergens van in de hoop op een willekeurige spontane bekentenis. Sloop 's nachts over de gangen of om het gebouw en stond vaak met zijn oor tegen een deur. Tartte, juist door zijn onwaarachtig en als irritant ondervonden gedrag de jongens tot tegenwerking. Werd door de andere leiders (behalve één) niet gewaardeerd, eerder veracht. Preekte als erkende hulpprediker regelmatig in de dorpskerk. Had in de oorlog in de Betuwe (Tiel) gewoond (gewerkt). Is later door de andere leiders (meer speciaal door v.d. Broek) aangeklaagd bij het Openbaar Ministerie wegens malversaties met het kampvoedsel, vervolgd, veroordeeld en dientengevolge vervangen door dhr. JANSEN. Regelmatig werd dhr van Helder nog door in Amsterdam werkende jongens in Amsterdam gezien.

Tweede directeur: Hr. Jansen. Grote slanke man, circa 1.80 meter, stugge roker, had slanke vrouw. Streng Rooms-katholiek opgevoed en hoger geschoold. Zeer sociaal ingesteld, gaf veel vrijheid maar verwachte eerlijkheid en vertrouwen. Startte met het tragische verdrinkingsgeval van twee boezemvrienden, Benny K. en Cor V. waardoor zijn superieuren de "Vrijheid met Verantwoording" van de gevangenen probeerden terug te draaien. Kreeg meteen de voorzichtige sympathie van de jongens. Is constant directeur gebleven, ook na de verhuizing naar de villa op de Hoge Duin en Daalseweg gevolgd door de verhuizing naar landgoed Bosbeek aan de Glipperweg in Heemstede. Voor het laatst in 1973 op de TV in een zaal zien zitten bij de oudejaarsavond conference van Wim Kan. Is volgens Bob R. (tijdens een gesprek in April 1989) reeds overleden, maar zijn vrouw leefde toen nog.

Hr. van den Broek: Product van de vooroorlogse AJC. Zeer consequent in zijn optreden, was open en zeer eerlijk. Algemeen zeer gewaardeerd, had een prettig soort van natuurlijk overwicht. Had als K.P.- er in het Amsterdamse verzet gezeten, vertelde daar weinig over. Was metaaldraaier geweest bij Fokker. Vlak voor zijn vertrek , najaar 1946, hing hij een schrijven op met stimulerende tekst en een waar gebeurd verhaal met zichzelf als voorbeeld. Het bleek dat hij in de oorlog een onderduiker in huis had, die er met zijn vrouw vandoor was gegaan, maar door zijn sterke wil was hij er niet onderdoor gegaan. Wist door gedragsobservatie meestal van te voren wat iemand van plan was. Zijn directe vrienden, ook afkomstig uit de A.J.C en het verzet, was het echtpaar ???. Werd door Jan N. nog vaak fietsend gezien in Amsterdam.

Echtpaar ???? was ook een typisch A.J.C.- stel. Waren hecht bevriend met Hr. van den Broek. Hadden beiden ook in het verzet gezeten. Zeer socialistisch en positief ingesteld. Woonden ook in het kamp, aan de achterzijde naast de keuken. Zijn medio 1946 weer vertrokken. Hij ging met zijn broer een machinefabriekje voor fijn-mechanische producten beginnen.

Hr. Smeijes. Korte man met rood haar, was afkomstig uit Brabant en Rooms-katholiek. Werd, omdat zijn broer niet thuis was, in diens plaats gearresteerd en naar Buchenwald getransporteerd. Kalme, rustige man zonder uitstraling. Is een cursus boekhouden gaan volgen en trad naderhand in dienst bij een kolenhandel in Haarlem.(waarschijnlijk van Bremen aan de Schouwtjeslaan). Maakte toen steeds het grapje "dat hij in de zwarte handel zat". Is eind 1947 of begin 1948 toch nog getrouwd en nog enige tijd in Haarlem woonachtig geweest.

Hr. Huisman. Middel grote man met tamelijk pafferig gezicht met daarboven een haardos als de stripfiguur Kuifje. Volgens zijn eigen verhaal was hij bij de Nederlandse inlichtingendienst geweest. Wilde alles psychologisch doen. Werd niet geaccepteerd door de harde kern der jongens en daardoor openlijk bedonderd. Woonde waarschijnlijk in Haarlem. Laatste ontmoeting eind 1950 voor de zaak van Jamin, toenmalig op de hoek Grote Houtstraat en Gedempte Oudegracht.

Hr. Weening . Middel grote man met stevig postuur. Woonde in Uitgeest. Katholiek gelovig. Had een ietsje uitpuilende bollen ogen. Was chemicus van beroep. Muzikaal aangelegd en een fervent voetbal liefhebber. Hopman bij de padvinders. Altijd een opgeruimd karakter en zeer positief ingesteld. Rookte graag en veel. Is later weer als chemicus gaan werken. Een van de jongens heeft nog zijn privé chemisch laboratorium overgenomen. Laatste ontmoeting in 1954 op een Amsterdams spoorperron.

Echtpaar Schäffer kwam uit de streek van Monnikendam en waren ook inwonend. Hij was ongeveer 1.70 m. lang met een krullige kuif donkerblond haar en enigszins vooruitstekende onderlip. Een stevige roker die de rook met kracht inhaleerde. Zij was kort en gezet en deed nogal truttig aan door de zelf gebreide jurken die zij altijd droeg. Beiden waren zeer gelovig. Na de gezamenlijke maaltijden verdween zij weer gezwind naar haar kamer op zolder terwijl hij nog nableef als hij zaaldienst had.

De eerste kampkok. Kwam uit de directe omgeving vandaan, ik meen Beverwijk. Is maar kort in het kamp werkzaam geweest. Deed zijn werk en daarmee basta. Kon een betere betrekking krijgen.

De tweede kampkok. Een fijne menselijke kerel. Was tijdens de oorlog scheepskok geweest op, voor de geallieerde varende, schepen. Woonde in Haarlem in de Saenredamstraat. Kwam elke dag op de fiets naar het kamp. Maakte van het gerantsoeneerde voedsel een smakelijke hap. Vertelde wel eens wat over de oorlog op zee en zijn grandioze thuiskomst na de oorlog, maar was nooit vervuld van haat. Stoeide soms met de keukenhulp, eveneens een Jozeboko-jongen.

Hr. Smit Een slanke zoon van een rechercheur van politie uit Schiedam. Was ongeveer 1.75 m. lang en had glad naar achteren gekamd lichtblond haar. Droeg bijna altijd een donker kostuum. Was Rooms-katholiek en stond op zeer goede voet met Hr. Jansen. Trad in dienst kort nadat dhr. Jansen directeur was geworden. Rookte eveneens zeer intens. Een fervent voetbal liefhebber.

Hr. A.M. Bruinenberg. Woonde naar ik later hoorde in IJmuiden-Oost in de Dennenstraat 26. Een nogal koddig figuur. Was erg christelijk. Droeg een bril en maakte mede daardoor de indruk van een vogelverschrikker. Werd vaak en uitvoerig in de maling genomen. Zag wel eens wat door de vingers of werd op zachte wijze daartoe gebracht. Ondanks alles een goede man.

R. Kr. † en anonymus


vr jul 24, 2015 3:04 pm
Profiel
Geef de vorige berichten weer:  Sorteer op  
Plaats een nieuw onderwerp Antwoord op onderwerp  [ 2 berichten ] 


Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast


Je mag geen nieuwe onderwerpen in dit forum plaatsen
Je mag niet antwoorden op een onderwerp in dit forum
Je mag je berichten in dit forum niet wijzigen
Je mag je berichten niet uit dit forum verwijderen

Zoek naar:
Ga naar:  
cron
Alle rechten voorbehouden © STIWOT 2000-2012. Privacyverklaring, cookies en disclaimer.

Powered by phpBB © phpBB Group